Hoe doe je slakkentaal bij het woord beren?

3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)
  • Auteur
    Berichten
  • #688
    Petra Noordermeer
    Sleutelbeheerder

    Deze vraag kregen we van een thuisonderwijzer die met slakkentaal gaat starten:

    En hoe doe je slakkentaal bij het woord “beren” bijvoorbeeld?, want bij het woord hoor je als klanken eigenlijk: b-i-r-e-n. De ‘e’ klinkt daar als ‘i’ dus en de tweede ‘e’ eigenlijk als ‘u’ (b-e-r-u-n).
    Spreek ik dan de ‘e’ uit of de ‘i’? En zo is dat met meerdere woorden. Hoe pak je dat aan?
    Of zeg ik dan gewoon b-e-r-e-n? (Buh-eh-ruh-eh-nn)

    #689
    Petra Noordermeer
    Sleutelbeheerder

    We hebben de vraag voorgelegd aan Erik Moonen. Hij heeft er een uitgebreid antwoord op geschreven:

    Wie ‘bir zegt, moet ‘beer’ schrijven

    Marieke Dubbelman vindt spellinglessen even leuk als beschamend. Je hebt alles goed uitgelegd en met de kinderen ingeoefend, je laat ze beer schrijven en ze schijven massaal ‘bir’. ‘En dat is logisch, want je schrijft op wat je hoort’, zegt ze.
    Dat klopt niet. Als je zou schrijven wat je hoort, zouden zelfs simpele woorden als beer, trap en zee telkens weer anders worden gespeld. En dat willen we niet: het is veel praktischer om ze altijd op dezelfde manier te schrijven.
    Dat komt zo. Gesproken taal zit vol regionale uitspraakvarianten. In België willen bijvoorbeeld West-Vlamingen de klanken /g/ en /h/ weleens verhaspelen: /heel groot/ is er /heel hroot/ en soms ook /geel groot/. In Vlaams-Brabantse dialecten valt de /t/ vaak weg aan het eind van woorden als dat, wat, niet en goed. In Belgisch-Limburg lopen nogal wat mensen de /trab op/ als ze naar boven willen. In Nederland, waar ik de regionale verschillen veel moeilijker kan thuisbrengen, zijn er nogal wat mensen die /srikken/ als ze schrikken. En hebben mensen veel meer dan in België de neiging medeklinkers als /g/, /v/ en /z/ stemloos uit te spreken. Als u precies wilt weten wat dat wil zeggen, legt u even duim en wijsvinger tegen uw adamsappel aan, u denkt aan het geluid van een vlieg en zegt hardop /zzz/; vervolgens denkt u aan het sissen van een slang en zegt hardop /sss/; bij /zzz/ voelt u uw stembanden trillen en daarom noemen we die medeklinker stemhebbend; bij /sss/ trillen ze niet en daarom noemen we /s/ stemloos. Hetzelfde kunt u doen met /v/ en /f/, met /g/ en /ch/, met /b/ en p/, met /d/ en /t/. In het noorden van het taalgebied lijken de stemhebbende medeklinkers systematisch voor de bijl te gaan: als mensen er een dagje naar zee willen, /chaan se fandaach naar see/.
    Dat medeklinkers alleen in het noorden hun stem zouden verliezen is trouwens een illusie. Ook in België doen ze dat altijd aan het woordeind en meestal als er andere medeklinkers in de buurt zijn: iedereen zegt /stofsuiger/, /ruchsak/ en /uitchang/. Daarbij trekken die medeklinkers zich niets van woordgrenzen aan: /ik sie wat jij niet siet/. Maar als de laatste van een reeks medeklinkers /b/ of /d/ is, wordt de hele zwik stemhebbend en zeggen we /wazbak/ en /huizdier/. Gevolg: meisjes die /verlieft/ zijn, zijn /verlievde/ meisjes.
    Maar er is nog meer variatie. Medeklinkers kunnen niet alleen verkleed ten tonele verschijnen, ze kunnen ook gewoon wegvallen waardoor luchtdruk als /lugdruk/ klinkt. Verder zegt iedereen woorden als schrikken en spinnen nu eens met /n/ aan het eind, dan weer zonder.
    En ook klinkers klinken niet altijd hetzelfde. Zo bepaalt hun positie in het woord mee hoe lang ze zijn: in boom is de /oo/ langer dan in hotel. Maar ook de medeklinkers in de buurt doen dat: de /oo/ in boor is langer dan die in boom. Maar de medeklinkers veranderen ook de kwaliteit van de klinkers, meestal lichtjes, soms radicaler. Zo blijken beer en deur bij heel wat Nederlandse kinderen als /bir/ en /dur/ te klinken.
    Dat brengt ons bij de kern van wat er over uitspraakvarianten te zeggen valt. Dat kinderen onder elkaar /bir/ zeggen, hoeft geen probleem te zijn. Ze snappen vast wel waar het over gaat als ze een verhaal te horen krijgen over een /beer/ die niet door de /deur/ kan. (Winnie de Poeh die aan de honing gezeten heeft). Dat wil zeggen: ze herkennen wat in /bir/ als /i/ klinkt en de /ee/ in /beer/ als hetzelfde foneem. Het inzicht dat de kinderen uiteindelijk moeten verwerven is dit: sommige mensen zeggen /bir/, andere zeggen /beer/; maar omdat alleen /beer/ met gemak door alle Nederlandstaligen wordt herkend, schrijven we beer. Training in foneembewustzijn helpt daarbij, op voorwaarde dat de leerkracht het goed doet. Als de juf de kinderen vraagt welke klanken er in beer te horen zijn, moet ze wel /beer/ zeggen en niet /bir/, als de kinderen als antwoord op die vraag met /b-i-r/ voor de dag, kan ze onbegrijpend vragen wat een bir dan wel is, schuchter vragen of ze geen beer bedoelden en nog een keer voordoen hoe het moet: /b-ee-r/. Met andere uitspraakvarianten is het precies hetzelfde. U hoeft niet ‘op de letter’ te gaan spreken, maar u kunt niet verwachten dat de kinderen /v-i-s/ zullen zeggen als u naar de klanken in /fis/ hengelt. U kunt kinderen die zelf /fis/ zeggen best uitdagen om de oren te spitsen als ze aan het begin van /vis/ een /f/ menen te horen. En als ze vinden dat groot in slakkentaal met /ch/ begint. Of met /h/.
    Uitspraak en klanken zijn ontzettend variabel, maar de onderhandelingsmarge kent u vrij goed: deur is meestal /deur/ maar soms /dur/; vis is soms /vis/ en soms /fis/; paard is altijd /paart/, nooit /paard/. U weet hoe simpele woorden als deur en vis worden gespeld. Misbruikt u die kennisvoorsprong gerust om kinderen op het bestaan te wijzen van de uitspraakvariant die de weg naar de goede spelling wijst. Toegegeven, dat is artificieel. Maar dat is nadenken over spontaan uitgesproken taal altijd. Het lijkt een koud kunstje om de eerste vier woorden te vinden in een gewoon zinnetje als Ik heb het hem gezegd. In een gewoon gesprek klinken ze echter meestal als /kepǝtǝm/. Hebt u dan echt vier woorden gehoord of hebt u die gereconstrueerd uit wat u hoorde? Woorden distilleren uit zinnen is onnatuurlijker dan het lijkt, maar u bent eraan gewend. Afzonderlijke klanken uit woorden distilleren is minstens even onnatuurlijk. En zelfs een ervaren juf als Marieke Dubbelman is er waarschijnlijk niet echt aan gewend. Dat is het belangrijkste verschil.

    Erik Moonen

    #690
    Petra Noordermeer
    Sleutelbeheerder

    De volgende vraag aan leerkrachten is dan: Hoe doen jullie dat met de huidige methode die jullie gebruiken?
    Hoe gaat bijvoorbeeld Lijn 3 om met dit geval?

    We horen het graag!

3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)
  • Je moet ingelogd zijn om een antwoord op dit onderwerp te kunnen geven.